Wil je een zin ontleden? Dan wil je zo snel mogelijk het onderwerp vinden. Maar wat is dat eigenlijk en waar herken je het aan?
Zinsontleding kan je helpen je taalbeheersing een impuls te geven. Wij besteden aandacht aan twee vormen van zinsontleding: redekundig en taalkundig. In dit artikel staat het onderwerp centraal.
Het onderwerp van de zin
Met het onderwerp druk je uit wie of wat iets is of doet in een zin. 1 2 3
Deze definitie levert twee inzichten op. Ten eerste kan het onderwerp een persoon (wie) of zaak (wat) zijn. Ten tweede staat die persoon of zaak in relatie tot een werkwoord. Daarmee druk je immers een toestand (zijn) of handeling (doen) uit. In een zin kunnen meerdere werkwoorden voorkomen, maar het onderwerp is verbonden aan slechts één daarvan: de persoonsvorm.
- Lucas loopt naar school.
- Gisteren kwamen wij Sanji tegen.
- Het ministerie heeft gelogen.
- Slapen is een heerlijke bezigheid.
Veruit de meeste zinnen bevatten een onderwerp, maar soms wordt het niet uitdrukkelijk vermeld. 4 Overigens staat het ook bekend als het subject. Het maakt niet uit welke term je gebruikt, hoewel subject beter aansluit op de grammatica van andere talen, zoals het Engels (‘subject’), het Duits (‘Subjekt’) en het Spaans (‘sujeto’).

Hoe herken je het onderwerp?
Je kunt het onderwerp op twee manieren vinden. Allereerst kun je de vraag wie of wat + persoonsvorm stellen.
- Dorine liep over straat.
- Wie liep? Dorine.
Daarnaast kun je de zin vragend te maken. Het komt dan achter de persoonsvorm te staan.
- Marinus bakte een cake.
- Bakte Marinus een cake?
Zes vormen
Het subject kent verschillende verschijningsvormen. Het kan zowel in het enkelvoud als in het meervoud in drie personen voorkomen:
Enkelvoud
- Ik
- Jij
- Hij / Zij / Het
Meervoud
- Wij
- Jullie
- Zij
De persoonsvorm is het werkwoord dat zich aanpast aan de persoon van het onderwerp: vandaar de term persoonsvorm. Om het onderwerp te vinden kun je dus ook de persoonsvorm veranderen. Het woord dat meeverandert is het subject.
Lastige gevallen
Er zijn een aantal lastige gevallen om rekening mee te houden als je het onderwerp wilt herkennen. 5
Uitgebreid onderwerp
Allereerst is het belangrijk om te beseffen dat het onderwerp regelmatig uit meer dan één woord bestaat. Het kan een vrij uitgebreid zinsdeel zijn. Bekijk de volgende zin:
- De cursisten van de ochtendgroep die bij ons de eerste training volgde zaten gapend in het lokaal.
- Wie zaten? De cursisten van de ochtendgroep die bij ons de eerste training volgde.
Als je de zin in een andere tijd zet, zie je dat het subject een persoonsvorm bevat (volgde) en dus een opzichzelfstaande zin kan zijn.
Loos onderwerp
Daarnaast kan er sprake zijn van een zogenaamd loos onderwerp. Dan is er geen specifieke persoon of zaak aan te wijzen:
- Het sneeuwt regelmatig
- Het zit hem vaak tegen
De vraag wat + onderwerp leidt in zulke gevallen tot een antwoord dat tegennatuurlijk aanvoelt, maar wel correct is:
- Wat sneeuwt? Het.
- Wat zit hem tegen? Het.
Herhalend onderwerp
Daarnaast zijn er gevallen waarin het subject uit meerdere delen bestaat. Kijk eens naar het onderstaande voorbeeld:
- De villa van de koning, die zouden ze moeten belasten.
In dit geval kun je zowel ‘de villa van de koning’ als het herhalende woord ‘die’ tot subject rekenen.
Plaats- en getalsonderwerp
Tot slot hebben we in sommige situaties te maken met een complicerende factor, namelijk het woord ‘er’:
- Er rijden de hele dag bussen door de stad.
In dit soort zinnen beschouwen we het woord ‘er’ als plaatsonderwerp en ‘bussen’ als getalsonderwerp.
Herken jij het onderwerp in elke zin?
Als je de persoonsvorm en het onderwerp van de zin hebt geïdentificeerd, heb je de basis van de zin te pakken. Dat geeft je een mooi uitgangspunt voor de ontleding van de overige zinsdelen.