Het naamwoordelijk gezegde

Het naamwoordelijk gezegde

Elke zin bevat een gezegde. Er bestaan twee soorten gezegdes in onze taal. In dit artikel leggen we uit hoe je het naamwoordelijk gezegde identificeert.

Zinsontleding kan je helpen je taalbeheersing een impuls te geven. Wij besteden aandacht aan twee vormen van zinsontleding: redekundig en taalkundig. In dit artikel staat het naamwoordelijk gezegde centraal.

Het naamwoordelijk gezegde

Het naamwoordelijk gezegde beschrijft de toestand van het onderwerp. 1 2 Dat kan van alles zijn: een hoedanigheid, een eigenschap, een functie, enzovoorts.

Het naamwoordelijk gezegde bestaat uit een werkwoordelijk en een naamwoordelijk deel, namelijk een zelfstandig of bijvoeglijk naamwoord of een voornaamwoord. 3

Hoe herken je het naamwoordelijk gezegde?

Er zijn een aantal kenmerken waaraan je het naamwoordelijk gezegde kunt herkennen. Ten eerste bevat het werkwoordelijk deel altijd een van de volgende negen werkwoorden: zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken en voorkomen. 4 Dit zijn koppelwerkwoorden die het onderwerp koppelen aan een toestand. Bijvoorbeeld:

  • Ellen en Leeroy zijn vrolijk.
  • Dominique wordt dokter.
  • De patiënt leek me ernstig in de war.
  • Pieter bleek lid van een politieke partij.
  • De honden blijven thuis.
  • Het huis lijkt behoorlijk oud.
  • Zijn laatste film schijnt beneden alle peil.

Ten tweede is het naamwoordelijk deel een noodzakelijke aanvulling op het koppelwerkwoord. Als je dat deel in de bovenstaande voorbeelden weglaat, zie je dus dat de zinnen hun betekenis verliezen.

  • Ellen en Leeroy zijn.
  • Dominique wordt.
  • De patiënt leek me.
  • Pieter bleek.
  • De honden blijven.
  • Het huis lijkt.
  • Zijn laatste film schijnt.

Een manier om de twijfel weg te nemen

Zoals je ziet kan het naamwoordelijk deel van het gezegde allerlei verschillende vormen aannemen. Het kan bijvoorbeeld bestaan uit één woord (vrolijk, dokter, thuis), uit meerdere woorden (behoorlijk oud) en zelfs uit hele woordgroepen (ernstig in de war, lid van een politieke partij). Sla je daardoor aan het twijfelen? Pas dan een simpele check toe: bekijk of je er met ‘dat’ naar kan verwijzen. 5

  • Ellen en Leeroy zijn vrolijk. Dat zijn ze.
  • Dominique wordt dokter. Dat wordt ze.
  • De patiënt leek me ernstig in de war. Dat leek hij me.
  • Pieter bleek lid van een politieke partij. Dat bleek hij.
  • De honden blijven thuis. Dat blijven ze.
  • Het huis lijkt behoorlijk oud. Dat lijkt het.
  • Zijn laatste film schijnt beneden alle peil. Dat schijnt het.

In alle zinnen kun je op een correcte manier met dat naar het naamwoordelijk deel verwijzen (en in de verwijzing is dat zelf ook een naamwoordelijk deel). Dit lukt niet als er geen sprake is van een naamwoordelijk gezegde:

  • De man loopt onder de brug door. Daar loopt hij.

Vier complicerende factoren

Als je de bovenstaande theorie volgt, slaag je er meestal wel in om het naamwoordelijk gezegde te herkennen. Toch zijn er een aantal complicerende factoren. 6 Wij bespreken de vier belangrijkste.

1. Dubbelzinnige gevallen

In sommige situaties is het lastig te bepalen of er sprake is van een werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde, zoals in de onderstaande zin:

  • Marleen en Liesbeth zijn verloofd.

Dit kan een werkwoordelijk gezegde zijn als het gaat om de handeling van het verloven. Het kan ook een naamwoordelijk gezegde zijn als het betekent dat ze in een toestand van verloving verkeren. We hebben, kortom, meer informatie nodig om te bepalen van welk soort gezegde sprake is:

  • Marleen en Liesbeth zijn vorige week verloofd in het bijzijn van familie en vrienden.

De bovenstaande zin beschrijft een handeling. In dit geval is ‘zijn verloofd’ dus een werkwoordelijk gezegde.

  • Marleen en Liesbeth zijn sinds vorige week verloofd.

Deze zin beschrijft een toestand die te vergelijken is met de zin: “Marleen en Liesbeth zijn sinds vorige week elkaars verloofden.” In dit geval is ‘zijn verloofd’ dus een naamwoordelijk gezegde.

2. Echte en schijnbare koppelwerkwoorden

We spraken eerst over negen, maar er zijn slechts drie echte koppelwerkwoorden: zijn, worden en blijven. 7 De andere kun je aanvullen met ’te’ + een van deze drie koppelwerkwoorden. Bijvoorbeeld:

  • Pieter bleek lid van een politieke partij te zijn.
  • De wedstrijd lijkt behoorlijk zwaar te worden.
  • Agnes schijnt vaak maandenlang boos te blijven.

In deze zinnen is er nog steeds sprake van een naamwoordelijk gezegde, maar het werkwoordelijk deel bestaat nu uit twee werkwoorden. De persoonsvorm is nu geen koppelwerkwoord meer, maar een hulpwerkwoord bij het koppelwerkwoord dat eraan is toegevoegd – en dat is nu het hoofdwerkwoord van de zin geworden.

3. Koppelwerkwoorden zonder naamwoordelijk deel

Een zin met een naamwoordelijk gezegde bevat altijd een koppelwerkwoord, maar het omgekeerde is niet per se waar. In sommige zinnen komen de eerdergenoemde werkwoorden (zijn, worden, blijven, schijnen, enzovoorts) namelijk voor zonder naamwoordelijk deel.

  • Faisal was buiten. (‘Zijn’ heeft in dit geval de betekenis van ‘zich bevinden’).
  • Emmy blijft in de woonkamer. (‘Blijven’ betekent in dit geval ‘verblijven’.)

In dit soort zinnen is geen sprake van koppelwerkwoorden, maar van zelfstandige werkwoorden.

4. Zijn en ’te’ + infinitief

Het koppelwerkwoord zijn kan soms tot verwarring leiden, omdat het aan een naamwoordelijk deel gekoppeld kan zijn dat bestaat uit ’te’ + infinitief. Daardoor lijkt het een werkwoordelijk gezegde, maar dat is schijn. In zulke gevallen heeft ’te’ + infinitief namelijk de betekenis van een bijvoeglijk naamwoord.

  • De tekst is niet te lezen.
  • De tekst is niet leesbaar.

In beide situaties is er dus sprake van een naamwoordelijk gezegde.

Algemene Nederlandse Spraakkunst kopen?
De ANS is een uitgebreid wetenschappelijk naslagwerk

Herken jij het naamwoordelijk gezegde?

Het naamwoordelijk gezegde is complexer van aard dan het werkwoordelijk gezegde. Als je dichtbij de basisprincipes blijft dat er altijd sprake moet zijn van een koppelwerkwoord, een naamwoordelijk deel en een toestand, dan is het mogelijk het naamwoordelijk gezegde altijd te herkennen als het zich voordoet.

Bronnen

  1. Algemene Nederlandse Spraakkunst (2021). ‘20.1.3.1 Het naamwoordelijk gezegde‘. E-ans.ivdnt.org, geraadpleegd op 21 januari 2024. ↩︎
  2. Onze Taal (z.d.). ‘Wat wordt bedoeld met het ‘gezegde’ van een zin?‘. Onzetaal.nl/taalloket, geraadpleegd op 21 januari 2024. ↩︎
  3. Onze Taal (z.d.). ‘Wat wordt bedoeld met het ‘gezegde’ van een zin?‘. Onzetaal.nl/taalloket, geraadpleegd op 21 januari 2024. ↩︎
  4. Klein, M. en Toorn, M.C. van den (2011). Praktische cursus zinsontleding. Groningen: Noordhoff Uitgevers, p. 18. ↩︎
  5. Klein, M. en Toorn, M.C. van den (2011). Praktische cursus zinsontleding. Groningen: Noordhoff Uitgevers, p. 18. ↩︎
  6. Klein, M. en Toorn, M.C. van den (2011). Praktische cursus zinsontleding. Groningen: Noordhoff Uitgevers, p. 19. ↩︎
  7. Taalunie (z.d.). ‘Gezegde‘. Taaladvies.net, geraadpleegd op 21 januari 2024. ↩︎

Zakelijk leren schrijven?

De Schrijftrainers helpt jou je schrijfvaardigheden te verbeteren. Neem contact op voor een offerte op maat.

Door deze website te gebruiken gaat u akkoord met ons cookie- en privacybeleid.
×