Bel ons:

Het werkwoordelijk gezegde

Het werkwoordelijk gezegde: identificeer de actie in de zin

Elke zin bevat een gezegde. Er bestaan twee soorten gezegdes in de Nederlandse taal. In dit artikel lees je hoe je het werkwoordelijk gezegde identificeert.

Zinsontleding kan je helpen je taalbeheersing een impuls te geven. Wij besteden aandacht aan twee vormen van zinsontleding: redekundig en taalkundig. In dit artikel staat het werkwoordelijk gezegde centraal.

Het werkwoordelijk gezegde

Het werkwoordelijk gezegde bestaat uit alle werkwoorden in een hoofdzin. 1 2 Ze vormen samen met de persoonsvorm een samenhangend geheel. 3

Hoe herken je het werkwoordelijk gezegde?

Het is niet erg moeilijk om een werkwoordelijk gezegde te herkennen. Laten we eens kijken naar een voorbeeld.

  • Melda luncht.

In deze zin komt één werkwoord voor: luncht. Dat vervult drie rollen, namelijk die van persoonsvorm, werkwoordelijk gezegde en hoofdwerkwoord. Een hoofdwerkwoord drukt de betekeniskern van het gezegde uit. 4

We kunnen deze zin veranderen door er een werkwoord aan toe te voegen.

  • Melda wil lunchen.

Het nieuwe werkwoord in deze zin heeft maar één rol: dat van persoonsvorm. Het werkwoordelijk gezegde bestaat nu uit twee werkwoorden (wil lunchen), terwijl het hoofdwerkwoord hetzelfde is gebleven: lunchen. Zonder dat werkwoord heeft deze zin immers geen concrete betekenis.

Aangezien de persoonsvorm niet de rol van hoofdwerkwoord vervult, is het een hulpwerkwoord: het scherpt de betekenis aan die het hoofdwerkwoord aan het gezegde geeft. 5

Hoofdwerkwoord en hulpwerkwoorden

Je kunt de eerder besproken zin nog verder uitbreiden.

  • Melda heeft willen lunchen.
  • Melda zal wel hebben willen lunchen.

Als je deze zinnen met elkaar vergelijkt, zie je dat er steeds een nieuwe persoonsvorm in voorkomt, terwijl de oude persoonsvorm een plek naar achter opschuift en een andere vorm aanneemt. Het hoofdwerkwoord blijft telkens hetzelfde (lunchen), terwijl de andere werkwoorden (hebben, willen en zullen) dienstdoen als hulpwerkwoorden die de betekenis ervan aanscherpen.

Toch niet alleen werkwoorden

Hoewel het werkwoordelijk gezegde uit alle werkwoorden in een zin bestaat, kunnen er ook onderdelen toe behoren die je niet als werkwoord kunt definiëren. 6 We onderscheiden drie gevallen.

1. Voorzetsels en voornaamwoorden

Soms voegen we het voorzetsel ’te’ toe aan het hoofdwerkwoord. Dat doen we in grofweg zeven gevallen, waar we nu verder niet op ingaan:

  • Bart zit te lezen.

In andere situaties is er sprake van een werkwoord dat alleen samen met een voornaamwoord kan voorkomen, zoals ‘zich herinneren’, ‘zich schamen’ of ‘zich vergissen’.

  • Ze schaamde zich enorm.
  • Ik heb me daar toch in vergist.

In dit soort zinnen kun je de niet-werkwoordelijke onderdelen tot het gezegde rekenen.

2. Vaste aanvullingen

Er bestaan ook werkwoorden die een vaste aanvulling met zich meebrengen.

  • De hond liep weg.
  • De grote vrachtwagen sloeg maar niet af.

Dit soort aanvullingen kun je ook tot het gezegde rekenen: ze zijn immers nodig om de juiste betekenis uit te drukken.

3. Werkwoordelijke uitdrukkingen

Tot slot zijn er talloze werkwoordelijke uitdrukkingen die maar voor een deel werkwoordelijk zijn:

  • Hij sloeg weer eens een enorme flater.
  • Zij bakt anderen bovendien graag een poets.

Dit soort uitdrukkingen hebben één vaste betekenis dat je vaak ook door één werkwoord kunt vervangen: een flater slaan betekent blunderen en een poets bakken betekent iemand foppen of bedotten. Je kunt deze onderdelen dan ook als geheel tot het gezegde rekenen.

Herken jij het werkwoordelijk gezegde?

Zoals gezegd bevat elke zin een gezegde. Als je dat hebt geïdentificeerd, heb je de kern van de zin te pakken – zeker als je het onderwerp eraan toevoegt.

Bronnen

  1. Onze Taal (z.d.). ‘Wat wordt bedoeld met het ‘gezegde’ van een zin?‘. Onzetaal.nl/taalloket, geraadpleegd op 14 januari 2024. ↩︎
  2. Algemene Nederlandse Spraakkunst (2021). ‘20.1.2 Het werkwoordelijk gezegde‘. E-ans.ivdnt.org, geraadpleegd op 14 januari 2024. ↩︎
  3. Klein, M. en Toorn, M.C. van den (2011). Praktische cursus zinsontleding. Groningen: Noordhoff Uitgevers, p. 15. ↩︎
  4. Taalunie (z.d.). ‘Hoofdwerkwoord‘. Taaladvies.net, geraadpleegd op 14 januari 2024. ↩︎
  5. Onze Taal (z.d.). ‘Hulpwerkwoord: wat is dat?‘. Onzetaal.nl/taalloket, geraadpleegd op 14 januari 2024. ↩︎
  6. Klein, M. en Toorn, M.C. van den (2011). Praktische cursus zinsontleding. Groningen: Noordhoff Uitgevers, p. 15-16. ↩︎

Zakelijk leren schrijven?

De Schrijftrainers helpt jou je schrijfvaardigheden te verbeteren. Neem contact op voor een offerte op maat.

×