Bel ons:

Redekundig ontleden: hoe doe je dat?

Een zin redekundig ontleden

Redekundig ontleden houdt in dat je zinsdelen en hun functies identificeert. In dit artikel lees je hoe je in vijf stappen een zin kunt ontleden.

Om een zin redekundig te kunnen ontleden, moet je eerst weten wat zinsdelen zijn. Dat zijn woorden of combinaties van woorden met een grammaticale functie. Afhankelijk van hoe je ze definieert kun je er in het Nederlands negen tot twaalf onderscheiden. 1

Het is belangrijk te beseffen dat redekundig ontleden niet draait om de woorden op zichzelf, zoals in het geval van taalkundig ontleden. Je analyseert hoe de woorden zich tot elkaar verhouden in de specifieke zin die je analyseert. Daarom spreken we van functies: hetzelfde woord kan functie A hebben in één zin en functie B in een andere zin, afhankelijk van de constructie waarvan sprake is.

Redekundig ontleden in vijf stappen

Er is dan ook analytisch vermogen voor nodig om een zin redekundig te ontleden. Als je het op een effectieve manier wilt doen, is het essentieel om stapsgewijs te werk te gaan. Als je elke keer zomaar ergens zou beginnen, zou je al gauw de draad kwijtraken. Daarom lees je hieronder hoe je een zin redekundig kunt ontleden in vijf stappen. We bespreken de stappen aan de hand van drie voorbeeldzinnen.

  • Latoya heeft vorige week lekker geshopt in de Koopgoot met haar vriendinnen.
  • Onze nieuwe buurvrouw is heel erg aardig.
  • De verkoop van het huis leverde ons een paar ton op.

Wil je direct de uitkomst weten? Scroll dan door naar de antwoorden onder de laatste stap.

1. Spoor de persoonsvorm op

De persoonsvorm is het werkwoord dat de tijd van de zin aanduidt. Je kunt de zin dus in een andere tijd zitten als je dit zinsdeel wilt vinden. Het woord dat van tijd verandert, is de persoonsvorm. In een enkelvoudige zin komt één persoonsvorm voor. Veranderen er meer werkwoorden van tijd? Dan is er sprake van een samengestelde zin. Lees hier meer over de persoonsvorm.

Zinsontleding in de praktijk

  • Latoya heeft vorige week lekker geshopt in de Koopgoot met haar vriendinnen.

Hoewel deze uitspraak gaat over vorige week, wordt de uitspraak gedaan in het heden. Het is een beschrijving van het verleden. De zin staat dus in de tegenwoordige tijd. Als je hier de verleden tijd van wilt maken, verandert het woord heeft in had. Dat is dus de persoonsvorm.

  • Onze nieuwe buurvrouw is heel erg aardig.

Deze zin gaat over het heden en staat in de tegenwoordige tijd. Als we daar de verleden tijd van maken, is er één woord dat verandert: is wordt was. Daarmee hebben we de persoonsvorm te pakken.

  • De verkoop van het huis leverde ons een paar ton op.

In deze zin is sprake van de verleden tijd. Zetten we de zin in de tegenwoordige tijd, dan verandert het werkwoord leverde (op) in levert (op). Dat is in z’n geheel de persoonsvorm, dus inclusief het voorzetsel.

2. Identificeer het onderwerp

Met het onderwerp druk je uit wie of wat iets doet in een zin. Het kan dus gaan over iets of iemand en het staat in directe relatie tot de persoonsvorm. Een eenvoudige manier om het onderwerp te vinden is door een vraag te stellen, namelijk wie of wat + persoonsvorm. Lees hier meer over het onderwerp.

Zinsontleding in de praktijk

  • Latoya heeft vorige week lekker geshopt in de Koopgoot met haar vriendinnen.

Wie heeft? Latoya. Dat is dus het onderwerp.

  • Onze nieuwe buurvrouw is heel erg aardig.

Wie is? Onze nieuwe buurvrouw.

  • De verkoop van het huis leverde ons een paar ton op.

Wat leverde op? De verkoop van het huis.

3. Bepaal wat het gezegde is

Als stap 2 je met een incompleet gevoel achterlaat, dan is dat logisch te verklaren. We hebben het gezegde namelijk nog niet gedefinieerd, terwijl we daarmee de handeling of toestand compleet maken. Er bestaan twee soorten gezegdes. Het werkwoordelijk gezegde bestaat uit alle werkwoorden in een zin. Het naamwoordelijk gezegde is een iets subtieler zinsdeel dat de toestand van het onderwerp beschrijft. Daarvoor is een koppelwerkwoord nodig, zoals zijn, worden en blijven. Lees hier meer over het werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde.

Zinsontleding in de praktijk

  • Latoya heeft vorige week lekker geshopt in de Koopgoot met haar vriendinnen.

In deze zin komt geen koppelwerkwoord voor. Er is dus sprake van een werkwoordelijk gezegde: heeft geshopt.

  • Onze nieuwe buurvrouw is heel erg aardig.

Hier is sprake van een werkwoord dat de functie van koppelwerkwoord kan vervullen: is. Er komt geen ander werkwoord in de zin voor. We lezen dat de buurvrouw de eigenschap heeft dat ze heel erg aardig is. Dat is geen handeling, maar een toestand. Er is dus sprake van een naamwoordelijk gezegde: is heel erg aardig, waarbij heel erg aardig het naamwoordelijk deel is.

  • De verkoop van het huis leverde ons een paar ton op.

In deze zin komt maar één werkwoord voor en dat is geen koppelwerkwoord: leverde op. De persoonsvorm is dus tegelijkertijd het werkwoordelijk gezegde.

4. Wijs de voorwerpen aan

Als je in deze fase van de zinsontleding bent aangekomen, kom je geen noodzakelijke elementen meer tegen. Hoewel er zinnen zijn die pas ergens op slaan als er een lijdend voorwerp in voorkomt, heb je alleen een onderwerp en een gezegde nodig om een zin te bouwen. We onderscheiden drie voorwerpen, namelijk het lijdend voorwerp, het meewerkend voorwerp en het voorzetselvoorwerp.

Een lijdend voorwerp ondergaat de werking van een werkwoordelijk gezegde en komt dus nooit voor in een zin met een naamwoordelijk gezegde. Het meewerkend voorwerp is degene die iets ontvangt of verneemt of van wie iets wordt afgenomen, terwijl een voorzetselvoorwerp begint met een voorzetsel en in vaste verbinding staat met het werkwoord. Lees hier meer over het lijdend voorwerp, het meewerkend voorwerp en het voorzetselvoorwerp.

Zinsontleding in de praktijk

  • Latoya heeft vorige week lekker geshopt in de Koopgoot met haar vriendinnen.

In deze zin komen geen voorwerpen voor. Allereerst is er geen zinsdeel te zien dat de werking van het werkwoordelijk gezegde ondergaat. Latoya heeft immers niet iets lekker geshopt. Ook is er niemand die iets ontvangt, verneemt of van wie iets wordt afgenomen. Daarnaast staan de voorzetsels (in en met) niet in vaste verbinding met het werkwoord. Je kunt ergens shoppen en dat kun je met anderen doen, maar het werkwoord heeft deze voorzetsels niet nodig om betekenisvol te zijn.

  • Onze nieuwe buurvrouw is heel erg aardig.

In deze zin komen geen voorwerpen voor. Er is sprake van een naamwoordelijk gezegde, dus een lijdend voorwerp is uitgesloten. Ook is er niemand die iets ontvangt, verneemt of van wie iets wordt afgenomen. Verder staan er geen voorzetsels in de zin.

  • De verkoop van het huis leverde me een paar ton op.

In deze zin komen twee voorwerpen voor. Ten eerste is er een zinsdeel dat de werking van het gezegde ondergaat. Wat leverde de verkoop van het huis op? Een paar ton. Dat is dus het lijdend voorwerp. Ten tweede is er iemand die deze paar ton ontvangt: me. Dat is het meewerkend voorwerp. Er komen geen voorzetsels in deze zin voor. Het woord ‘op’ is geen zelfstandig zinsdeel, aangezien het deel uitmaakt van het werkwoord opleveren.

5. Zoek de overige zinsdelen

In de laatste stap komen we aan bij de bepalingen. Dat zijn zinsdelen die meer informatie geven. Als je ze weglaat, verandert de grammaticale kern van de zin niet. Je mist hooguit informatie die relevant is om de werkelijkheid goed te begrijpen.

Een bijwoordelijke bepaling geeft meer informatie over een ander zinsdeel. Dat is vaak het gezegde, maar niet altijd. Een bijvoeglijke bepaling geeft meer informatie over een zelfstandig naamwoord, terwijl een bepaling van gesteldheid in een nauwe verbinding met zowel het gezegde als het onderwerp of lijdend voorwerp. Lees hier meer over de bijwoordelijke bepaling, de bijvoeglijke bepaling en de bepaling van gesteldheid.

Zinsontleding in de praktijk

  • Latoya heeft vorige week lekker geshopt in de Koopgoot met haar vriendinnen.

In deze zin komen vier zinsdelen voor die iets over andere zinsdelen zeggen. We lezen wanneer Latoya heeft geshopt (vorige week), hoe ze dat heeft ervaren (lekker), waar ze dat deed (in de Koopgoot) en met wie ze was (met haar vriendinnen). Dat zijn, kortom, allemaal bijwoordelijke bepalingen.

  • Onze nieuwe buurvrouw is heel erg aardig.

We zien twee zinsdelen die iets over een ander zinsdeel zeggen. Ten eerste zegt onze nieuwe iets over het zelfstandig naamwoord ‘buurvrouw’. Dat is dus een bijvoeglijke bepaling. Ten tweede weten we dat zij niet zomaar ‘aardig’ is, maar heel erg. Dat zinsdeel geeft meer informatie over een naamwoordelijk gezegde – en is dus een bijwoordelijke bepaling.

  • De verkoop van het huis leverde ons een paar ton op.

In dit geval onderscheiden we één zinsdeel is waar meer informatie over gegeven wordt. We weten dat het niet zomaar over een verkoop gaat, maar over die van het huis. Dit noemen we een bijvoeglijke nabepaling. Na het zelfstandig naamwoord krijgen we daar immers meer informatie over.

Redekundig ontleden: de antwoorden

  • Latoya heeft vorige week lekker geshopt in de Koopgoot met haar vriendinnen.
    Persoonsvorm: heeft
    Onderwerp: Latoya
    Werkwoordelijk gezegde: heeft geshopt
    Bijwoordelijke bepaling: vorige week
    Bijwoordelijke bepaling: lekker
    Bijwoordelijke bepaling: in de Koopgoot
    Bijwoordelijke bepaling: met haar vriendinnen

  • Onze nieuwe buurvrouw is heel erg aardig.
    Persoonsvorm: is
    Onderwerp: Onze nieuwe buurvrouw
    Naamwoordelijk gezegde: is heel erg aardig
    Naamwoordelijk deel van het gezegde: heel erg aardig

    Bijwoordelijke bepaling: heel erg
    Bijvoeglijke bepaling: onze nieuwe

  • De verkoop van het huis leverde ons een paar ton op.
    Persoonsvorm: leverde op
    Onderwerp: De verkoop van het huis
    Werkwoordelijk gezegde: leverde op
    Lijdend voorwerp: een paar ton
    Meewerkend voorwerp: ons

    Bijvoeglijke bepaling: van het huis
Algemene Nederlandse Spraakkunst kopen?
De ANS is een uitgebreid wetenschappelijk naslagwerk over de Nederlandse grammatica

Kun jij een zin redekundig ontleden?

Soms is het makkelijk om een zin redekundig te ontleden, maar soms kan het een enorme uitdaging zijn. In alle gevallen is het raadzaam stapsgewijs te werk te gaan. Dat zorgt ervoor dat je overzicht behoudt over de zin terwijl je de lastige zinsdelen probeert te identificeren en kwalificeren.

Bronnen

  1. Onze Taal (z.d.). ‘Wat is redekundig ontleden? En hoe doe je dat?‘. Onzetaal.nl/taalloket, geraadpleegd op 15 februari 2024. ↩︎

Zakelijk leren schrijven?

De Schrijftrainers helpt jou je schrijfvaardigheden te verbeteren. Neem contact op voor een offerte op maat.

×