Bel ons:

Tekstverbanden: geef je lezer het aha-gevoel

Tekstverbanden om je lezer het aha-gevoel te geven.

Als je een tekst schrijft, is het je taak de lezer te helpen de juiste boodschap uit de tekst te halen. Tekstverbanden kunnen hieraan bijdragen.

Een tekst lezen doe je zowel met je ogen als je hersenen. Kijk bijvoorbeeld eens naar deze woorden: Wbsitee, mcusial, itrennet. De ogen nemen waar en sturen dat signaal door naar de hersenen. De hersenen sturen echter ook informatie door die mede bepaalt wat de ogen zien. Dit proces verloopt razendsnel en zorgt ervoor dat je toch begrijpt dat het om de woorden website, musical en internet gaat.

Beter is het natuurlijk als de informatie coherent is – dus als het lezen met de ogen en met de hersenen elkaar bevestigt. In dat geval ontstaat een diepgaand gevoel van begrip bij de lezer: het aha-gevoel. 1 Daar kunnen tekstverbanden bij helpen.

Het aha-gevoel opwekken met tekstverbanden

Lezen met de ogen noemen we bottom-up: de informatie bereikt vanaf het papier je hersenen. Lezen met de hersenen noemen we top-down: je hersenen beïnvloeden hoe je de informatie verwerkt die je tot je neemt. Als schrijver wil je beide processen op een positieve manier beïnvloeden om het aha-gevoel op te roepen.

Dat gevoel vindt niet alleen plaats op woordniveau, zoals in het voorbeeld hierboven, maar het speelt een rol bij alle vormen van patroonherkenning in de tekst. Daarom is het belangrijk dat je zinnen, alinea’s en de tekst in zijn geheel een eenheid vormen. Hieronder lees je drie manieren om die eenheid te vergroten.

1. Samenhangende alinea’s

Je alinea vormt een eenheid als er één hoofduitspraak in voorkomt die ondersteund wordt door een aantal zinnen. Deze zinnen kunnen bijvoorbeeld een reden, aanleiding, uitleg, argument of opsomming geven die de hoofduitspraak van de alinea meer gewicht of meer helderheid geeft. Als de lezer de logica van deze zinnen begrijpt en koppelt aan het punt dat de schrijver ermee wil maken, ontstaan het aha-gevoel. 

2. Kernzinnen

De hoofduitspraak binnen een alinea wordt ook wel de kernzin genoemd. Een alinea kan niet meerdere kernzinnen bevatten, dat zorgt voor verwarring. De lezer snapt dan niet meer welk punt de schrijver precies maakt. Een kernzin is in principe de zin die de alinea het beste zou samenvatten of de meest algemene zin die wordt uitgewerkt in de rest van de alinea. De kernzin is tevens het smeermiddel tussen de alinea en de rest van de tekst. Als je alle kernzinnen van een tekst onder elkaar zou zetten, zou dat een perfecte samenvatting van het geheel moeten opleveren. 2

De plaatsing van je kernzin kan variëren. Hoewel het voor de meeste duidelijkheid zorgt als hij in het begin van de alinea staat, hoef je dit zeker niet telkens te doen. Als je de kernzin aan het einde van je alinea plaatst, vormt hij een soort conclusie. Dat kan aantrekkelijk zijn, omdat je de lezer zo prikkelt zelf na te denken en misschien al zelf tot de conclusie te komen die de schrijver ook trekt.

Alinea-ondersteuning

Je kunt een kernzin op verschillende manieren ondersteunen. Stel dat je een tekst schrijft over de mogelijkheden om een bedrijf te verduurzamen. ‘We moeten afstappen van het printen van documenten’, zou je in een alinea kunnen beweren. Je zou dit kunnen onderbouwen met voorbeelden uit andere bedrijven. Maar je kan ook een vergelijking maken met een situatie die hierop lijkt en die succesvol uitpakte. Je zou kunnen schetsen wat de gevolgen gaan zijn. Je zou ook een opsomming van redenen kunnen geven waarom het een goed idee is. Welke uitwerking je ook kiest, het tekstverband van de kernzin en de alinea-ondersteuning moet helder zijn voor je lezer.

3. Signaalwoorden

Om het aha-gevoel in je alinea-ondersteuning te bevorderen, kun je verbindingswoorden gebruiken. Je kunt zo’n verbindingswoord zien als de lijm in je tekst: binnen zinnen, tussen zinnen, tussen alinea’s en tussen groepjes alinea’s. We noemen deze woorden ook wel signaalwoorden: ze geven de lezer op allerlei niveaus het signaal dat er tekstverbanden zijn.

Er zijn er een heleboel van, maar een aantal veelvoorkomende zijn: maar, echter, daarentegen, hoewel, ook, vervolgens, ten eerste, ten tweede, daarbij, tenslotte, al met al en dus. Als een lezer inhoudelijk een bepaald verband opmerkt (top-down) en dat bevestigd ziet worden met een signaalwoord (bottom-up), ontstaat er tekstbegrip. Je hoeft overigens ook weer niet te scheutig te zijn met signaalwoorden. Dat kan de leesbaarheid van de tekst juist in de weg zitten.

Meer weten over tekstverbanden?

Aha, denk je nu (hopelijk)! Je weet nu wat je te doen staat om de tekstverbanden duidelijk te maken voor je lezer. Mocht dat niet zo zijn, kijk dan ook eens naar deze blogs over tekststructuur en de intentie van je tekst.

Bronnen

  1. Teunissen, Freerk en Aleid van de Vooren-Fokma. Tekststructuur. Effectiever en efficiënter schrijven. Coutinho, 2014, p. 16-18. ↩︎
  2. Teunissen, Freerk en Aleid van de Vooren-Fokma. Tekststructuur. Effectiever en efficiënter schrijven. Coutinho, 2014, p. 33. ↩︎

Zakelijk leren schrijven?

De Schrijftrainers helpt jou je schrijfvaardigheden te verbeteren. Neem contact op voor een offerte op maat.

×